Uitspraak
21.2620 AOR
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de ingangsdatum van de toegekende voorzieningen;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1945, diende in maart 2020 een aanvraag in bij verweerder voor voorzieningen op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Bij besluit van 18 januari 2021 werd hij erkend als oorlogsslachtoffer met psychisch oorlogsletsel en een invaliditeitspercentage van 20%. Hij kreeg een invaliditeitsuitkering, vergoeding voor een dagdeel huishoudelijke hulp en vervoer voor medische behandelingen toegekend. Diverse lichamelijke klachten werden niet toegeschreven aan de AOR-omstandigheden en voorzieningen daarvoor werden afgewezen.
Appellant maakte bezwaar tegen de afwijzing van voorzieningen en stelde in beroep dat zijn lichamelijke klachten wel verband houden met de AOR-omstandigheden en dat de ingangsdatum van de toegekende voorzieningen onjuist is. De Raad oordeelde dat het beroep tegen de ingangsdatum niet-ontvankelijk is omdat appellant hiertegen geen bezwaar had gemaakt. De medische adviezen van geneeskundig adviseurs ondersteunden het standpunt van verweerder dat de lichamelijke klachten constitutioneel of leeftijdsgebonden zijn en niet aan de AOR-omstandigheden kunnen worden toegeschreven.
Verder concludeerde de Raad dat uitbreiding van huishoudelijke hulp niet medisch noodzakelijk is, omdat appellant geen chaotisch gedrag of zelfverwaarlozing vertoont. Ook werden voorzieningen voor psychotherapie, creatieve therapie, verpleging, extra vakantie, sociaal vervoer en deelname aan het maatschappelijk verkeer afgewezen omdat deze niet direct samenhangen met geneeskundige behandeling van het oorlogsletsel. Het beroep werd daarom voor het overige ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk voor de ingangsdatum en ongegrond voor het overige verklaard.