ECLI:NL:CRVB:2022:363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, laatst werkzaam als pedagogisch medewerkster, ontving sinds 2016 een WIA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 35%, waarop de uitkering werd beëindigd. Appellante voerde bezwaar aan tegen deze beslissing, stellende dat haar lichamelijke en psychische klachten haar volledig arbeidsongeschikt maken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke deskundige, die een rapport opstelde waarin zij appellante iets beperkter achtte dan eerder aangenomen. Dit rapport werd overgenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die een Functionele Mogelijkhedenlijst opstelde.
De arbeidsdeskundige concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren binnen de belastbaarheid van appellante. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de WIA-uitkering beëindigde omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Hoewel het oorspronkelijke besluit niet volledig deugdelijk gemotiveerd was, werd dit gebrek gepasseerd omdat het niet tot benadeling van appellante heeft geleid. Het hoger beroep werd afgewezen en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.