ECLI:NL:CRVB:2022:374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante werkte als winkelmedewerkster en meldde zich in 2009 ziek met rugklachten. Na een loongerelateerde WGA-uitkering werd deze in 2018 beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2019 vroeg zij opnieuw een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd op grond van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en arbeidsdeskundig rapport.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische stukken geen aanleiding gaven tot twijfel over de juiste vaststelling van de arbeidsongeschiktheid en de geschiktheid voor de geselecteerde functies. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen niet volledig waren meegenomen en overhandigde zij aanvullende medische stukken, waaronder van een cardioloog en anesthesioloog-pijnspecialist.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze nieuwe medische informatie geen aanleiding geeft tot een ander oordeel, omdat deze dateert van na de datum van beoordeling en geen onderbouwde aanknopingspunten bevat voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Ook de psychische klachten zijn volgens de Raad voldoende meegenomen. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige wordt afgewezen. De Raad bevestigt het oordeel dat appellante geschikt is voor de geselecteerde functies en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.