ECLI:NL:CRVB:2022:426
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep in voorlopige voorziening ongegrond verklaard
Appellant heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de Centrale Raad van Beroep waarin de Raad zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter op een verzoek om een voorlopige voorziening.
De Raad heeft geoordeeld dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen hoger beroep mogelijk is tegen uitspraken op voorlopige voorzieningen. Appellant voerde aan dat de taalkundige constructie van artikel 8:81 Awb Pro en een vermeende schending van de procesorde aanleiding zouden moeten zijn om het hoger beroep wel in behandeling te nemen.
De Raad heeft deze argumenten onderzocht en vastgesteld dat de wet expliciet het appelverbod op dergelijke uitspraken regelt, waardoor het verzet ongegrond is. Er is geen reden om het appelverbod te doorbreken. Ook is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in aanwezigheid van griffier N.N. Gambier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2022.
Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van de Raad wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep tegen de voorlopige voorziening blijft niet-ontvankelijk.