ECLI:NL:CRVB:2022:427
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in WIA-uitkeringszaak ongegrond verklaard
Appellant was het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep, omdat het hogerberoepschrift te laat was ingediend. De rechtbank Rotterdam had de aangevallen uitspraak op 18 februari 2021 verzonden, maar de brief van appellant was onbestelbaar retour gekomen. De rechtbank stuurde de uitspraak opnieuw per gewone post, waarbij werd meegedeeld dat de beroepstermijn niet opnieuw zou lopen. Het hogerberoepschrift werd uiteindelijk op 28 april 2021 ontvangen, na de uiterste termijn van 1 april 2021.
Appellant voerde in verzet aan dat zijn slechte financiële situatie, ontruiming van zijn woning, gebrek aan vaste verblijfplaats, vertraging bij het verkrijgen van een postadres en ziekte hem verhinderden tijdig hoger beroep in te stellen. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden geen verschoonbare reden vormen voor de termijnoverschrijding. Appellant had derden kunnen inschakelen om zijn belangen te behartigen en was op de hoogte van de uitspraak.
De Raad concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die het verzet konden dragen en verklaarde het verzet ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.C. Boeree op 3 maart 2022.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare omstandigheden.