ECLI:NL:CRVB:2022:430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over afwijzing WIA-uitkering wegens procedurele tekortkomingen
Appellant, werkzaam als agrarisch medewerker, meldde zich ziek en ontving een Ziektewetuitkering die na 104 weken werd beëindigd. Vervolgens vroeg hij een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellant maakte bezwaar, maar vermeldde per abuis het Ziektewetbesluit als onderwerp, terwijl hij het WIA-besluit bedoelde. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
In hoger beroep stelde appellant dat het bezwaar wel degelijk tegen het WIA-besluit was gericht en dat het UWV had moeten onderzoeken tegen welk besluit het bezwaar ging, eventueel door een hoorzitting te houden. De Centrale Raad oordeelde dat het bezwaar onduidelijk was en dat het UWV op grond van de Awb de appellant in de gelegenheid had moeten stellen het verzuim te herstellen. De Raad kwalificeerde het bezwaar als gericht tegen het WIA-besluit en concludeerde dat het beroep wel ontvankelijk was.
De Raad stelde vast dat het besluit niet zorgvuldig was voorbereid en in strijd met artikel 3:2 Awb Pro. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en droeg het UWV op een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over het WIA-bezwaar.