ECLI:NL:CRVB:2022:433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en weigering WIA-uitkering na wijziging buitenwettelijk beleid
Appellante was werkzaam tot augustus 2015 en viel in december 2016 wegens psychische klachten uit. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waarna een WIA-uitkering werd geweigerd. Appellante voerde aan dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en dat het buitenwettelijk begunstigend beleid, dat lager betaald werk in de WW-periode beschermde, nog toegepast had moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat het buitenwettelijk begunstigend beleid niet meer gold sinds 13 juli 2017 en dat de wettelijke bepalingen van de Wet WIA de grondslag vormden voor de beoordeling. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel werd verworpen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze conclusies. Er was geen reden om te twijfelen aan de medische beoordeling en het UWV had voldoende gemotiveerd waarom de vastgestelde functies passend waren. Het buitenwettelijk beleid was terecht niet toegepast en het beroep op de hardheidsclausule was ongegrond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WIA-uitkering bevestigd.