ECLI:NL:CRVB:2022:446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij vervoersvoorziening WIA
Appellant, voormalig werknemer bij het ministerie van Defensie, heeft een geschil over de toekenning van een vervoersvoorziening door het UWV op grond van de Wet WIA. Na beëindiging van een dienstvervoerregeling door zijn werkgever in 2016, vroeg appellant het UWV om een vervoersvoorziening, welke aanvankelijk werd geweigerd maar later werd toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV niet bevoegd was om over de vervoersvoorziening te beslissen en dat de werkgever deze verplichting had. Tevens stelde hij dat de toegekende voorziening niet de goedkoopste en meest adequate was en dat er sprake was van indirect onderscheid in strijd met de Wet gelijke behandeling.
De Raad oordeelde dat appellant sinds 1 maart 2016 niet meer op de werkplek verscheen en geen gebruik maakte van de voorziening, terwijl zijn salaris werd doorbetaald tot zijn ontslag in 2021. Hierdoor ontbrak het aan voldoende procesbelang, aangezien het beoogde resultaat geen feitelijke betekenis meer had. Ook het principiële karakter van de vraag rechtvaardigde geen ontvankelijkheid. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.