ECLI:NL:CRVB:2022:456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante heeft meerdere malen een WIA-uitkering aangevraagd vanwege gezondheidsklachten, waaronder nek-, schouder-, hand-, arm- en beenklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft telkens vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Bij de melding van verslechtering in 2016 werd een toekenning geweigerd omdat de artroseklachten nieuw waren en de beperkingen door dystrofie niet waren toegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het Uwv zorgvuldig had gemotiveerd dat er geen toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak was. In hoger beroep voerde appellante aan dat artrose reeds in 2011 aanwezig was en dat haar dystrofieklachten waren toegenomen. De Raad liet een onafhankelijke deskundige, een orthopedisch chirurg, rapporteren.
De deskundige concludeerde dat de artrose in 2010 en 2011 marginaal en niet progressief was en dat de klachten vóór 2016 voornamelijk door dystrofie werden veroorzaakt. Na 2011 was geen toename van dystrofieklachten, maar wel bijkomende klachten door artrose en andere aandoeningen. De Raad vond het rapport overtuigend en bevestigde dat geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.
Daarnaast werd een schadevergoeding van € 2.000,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd; de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.