ECLI:NL:CRVB:2022:463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging IVA-uitkering wegens ontbreken hulpbehoevendheid
Appellante had verzocht om verhoging van haar IVA-uitkering tot 100% vanwege hulpbehoevendheid met terugwerkende kracht vanaf 2014. Het UWV wees dit verzoek af op basis van verzekeringsgeneeskundig onderzoek waaruit bleek dat appellante niet in een toestand verkeert die geregelde oppassing en verzorging vereist.
De rechtbank stelde vast dat appellante weliswaar hulp nodig heeft bij sommige dagelijkse levensverrichtingen, maar niet zodanig dat continue toezicht noodzakelijk is. De verzekeringsartsen concludeerden dat er geen medische noodzaak is voor een verhoging van de uitkering tot 100%. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar situatie anders was dan vastgesteld, mede vanwege een wisseling van huisarts, maar deze gronden werden als herhaling van eerdere bezwaren beoordeeld.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat de verzekeringsartsen voldoende en overtuigend hebben gemotiveerd dat appellante niet hulpbehoevend is in de zin van de beleidsregel. Er was geen aanwijzing dat de verzekeringsartsen over onvoldoende informatie beschikten. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering tot verhoging van de IVA-uitkering bevestigd.