Uitspraak
21.2298 WIA
R.M.C. Bastings.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was laatstelijk werkzaam als verzorgende en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werden onderschreven.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek summier was en dat de rechtbank ten onrechte de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport van medisch adviseur Thissen volgde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek uitgebreid was en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de kritiek van Thissen overtuigend had gemotiveerd. Er was geen objectieve medische grond voor aanpassing van de FML en de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd waren medisch geschikt.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en geen veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een WIA-uitkering bevestigd.