Uitspraak
20 2761 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
woon- en leefsituatie, en zijn stellingen daarover aannemelijk moet maken.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college wees de aanvraag af omdat hij vanaf 2 april 2019 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn vriendin en zijn hoofdverblijf bij haar had. Appellant stelde dat hij slechts tijdelijk bij zijn vriendin verbleef en dat zijn kwetsbaarheid maatwerk vereiste.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet zijn hoofdverblijf bij zijn vriendin had. Zijn eigen verklaring, ondertekend tijdens een gesprek met een handhavingsspecialist, gaf aan dat hij dagelijks bij zijn vriendin woonde, samen at, boodschappen deed en al zijn bezittingen daar had. De verklaring van zijn zus bood geen concreet bewijs dat het verblijf tijdelijk was.
De Raad vond geen aanleiding voor nader onderzoek en wees erop dat de bewijslast bij de aanvrager ligt. Omdat appellant duidelijkheid over zijn woonsituatie had gegeven en deze niet weersproken was, werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.