ECLI:NL:CRVB:2022:488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds 2012 arbeidsongeschikt na een hartinfarct en ontving een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2016 werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 36,11%. In 2018 stelde het UWV na nieuw onderzoek dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank bevestigde het besluit van het UWV, waarbij het onderzoek door verzekeringsartsen als zorgvuldig werd beoordeeld. De medische rapporten waren inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd, waarbij nieuwe klachten die na de datum in geding waren ontstaan niet werden meegenomen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat, met name door handklachten en een urenbeperking, en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld. De nieuwe klachten waren pas na de datum in geding ontstaan en konden niet worden meegewogen. Er was geen aanleiding tot benoeming van een deskundige. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 35% heeft vastgesteld en de WGA-uitkering heeft beëindigd.