ECLI:NL:CRVB:2022:492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen per 1 januari 2018
Appellant, geboren in 1989, ontvangt sinds 2008 een Wajong-uitkering vanwege beperkingen door sarcoïdose, prikkelbaar darmsyndroom en chronische oogontsteking. Het geschil betreft of appellant per 1 januari 2018 arbeidsvermogen had, waarbij de vraag centraal staat of hij basale werknemersvaardigheden bezit, minimaal een uur aaneengesloten kan werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is.
De arbeidsdeskundigen stelden vast dat appellant over basale werknemersvaardigheden beschikt en zelfstandig instructies kan opvolgen. Het UWV motiveerde dat appellant ten minste een uur aaneengesloten kan werken zonder bijsturing. Over de belastbaarheid van vier uur per dag ontstond twijfel, waarna de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts benoemde. Deze concludeerde dat licht werk tot vier uur per dag en twintig uur per week haalbaar is, ondanks de aandoeningen en vermoeidheidsklachten van appellant.
De Raad volgde het deskundigenrapport, dat zorgvuldig en consistent was, en verwierp de door appellant ingebrachte medische stukken die geen wezenlijke afwijking van het oordeel gaven. Appellant voerde geen beroepsgronden aan tegen het oordeel dat hij een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank dat appellant arbeidsvermogen heeft en de Wajong-uitkering terecht is verlaagd naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 is bevestigd omdat appellant arbeidsvermogen heeft.