Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:500

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2022
Publicatiedatum
10 maart 2022
Zaaknummer
20/2493 BBZ-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand 2017 wegens niet-overleggen financiële gegevens

In deze zaak gaat het om de terugvordering van een bijstandslening die in 2017 aan appellant is verstrekt. Het college van burgemeester en wethouders van Emmen heeft de terugvordering gehandhaafd omdat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting om binnen zes maanden na afloop van het boekjaar 2017 de gevraagde financiële gegevens te overleggen.

De rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond verklaard. Appellant stelde dat hij de financiële stukken niet kon aanleveren vanwege een lopende gerechtelijke procedure over zijn voormalige vennootschap onder firma (vof), maar de rechtbank oordeelde dat dit niet relevant was omdat de vof in 2017 niet meer bestond en appellant geen andere financiële gegevens van zijn eenmansbedrijf had verstrekt.

In hoger beroep heeft appellant dezelfde argumenten aangevoerd, waaronder de stelling dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien vanwege financiële problemen. De Centrale Raad van Beroep heeft het oordeel van de rechtbank bevestigd en benadrukt dat appellant geen financiële gegevens heeft overgelegd en niet aannemelijk heeft gemaakt daartoe niet in staat te zijn. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de terugvordering blijft gehandhaafd.

Uitkomst: De terugvordering van de bijstand uit 2017 wordt bevestigd omdat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting tot het overleggen van financiële gegevens.

Uitspraak

20.2493 BBZ-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 juni 2020, 19/3747 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)
Datum uitspraak: 1 maart 2022
Zitting heeft: E.J.M. Heijs als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: J. Oosterveen
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 maart 2022. Partijen zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de terugvordering van appellant van de in het boekjaar 2017 verleende bijstand in de vorm van een geldlening tot een bedrag van € 986,52. Het college heeft deze terugvordering na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 september 2019 (bestreden besluit). Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zich niet aan de aan de geldlening verbonden verplichtingen heeft gehouden door geen administratie over het boekjaar 2017 over te leggen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, het volgende geoordeeld. Appellant heeft niet voldaan aan de uit artikel 38, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 voortvloeiende verplichting om de gevraagde financiële gegevens binnen zes maanden na afloop van het boekjaar – in dit geval 2017 – over te leggen. Appellant heeft daardoor de definitieve vaststelling van zijn inkomen in dat jaar onmogelijk gemaakt. Dat appellant naar zijn zeggen de financiële stukken niet kan aanleveren, omdat bij de rechtbank een procedure loopt over de vof en dat alle financiële stukken in het dossier van die procedure zitten, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat in de onderhavige zaak immers om gegevens ter vaststelling van het jaarinkomen over het jaar 2017 en de vof bestond in dat jaar niet meer. Verder heeft appellant ook geen andere gegevens, zoals een boekhoudrapport, over zijn in 2017 opgestarte eenmansbedrijf aan het college ter beschikking gesteld. Dat appellant niet in staat was andere financiële gegevens te verstrekken, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Tot slot vormen de ter zitting gestelde financiële problemen zonder nadere onderbouwing geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de gevraagde financiële gegevens niet kan leveren, omdat een gerechtelijke procedure over de afwikkeling en de verdeling van zijn oude bedrijf – de vof – nog niet is afgerond. Tevens heeft appellant aangevoerd dat om die redenen dringende redenen nopen tot het afzien van terugvordering.
Deze gronden zijn een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de, hiervoor weergegeven, overwegingen waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat appellant ook in hoger beroep geen (financiële) gegevens heeft overgelegd en niet aannemelijk heeft gemaakt daartoe niet in staat te zijn.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J. Oosterveen (getekend) E.J.M. Heijs