Appellant ontving een WW-uitkering en daarnaast pensioenuitkeringen van ASR en Allianz. Het UWV bracht deze pensioeninkomsten in mindering op de WW-uitkering, wat appellant betwistte. De kern van het geschil was of appellant onder de uitzondering van artikel 3:5, zevende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) viel, die pensioenuitkeringen die reeds vóór het dienstverband werden ontvangen, niet als inkomen in verband met arbeid beschouwt.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet onder deze uitzondering viel, omdat het pensioen pas na het begin van het dienstverband inging. Appellant stelde dat hij meerdere werkgevers had en dat dit tot een andere uitkomst zou leiden, maar dit werd verworpen omdat het ging om dezelfde rechtspersoon ondanks naamswijzigingen en contractwijzigingen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt dat het pensioen terecht in mindering is gebracht op de WW-uitkering. Ook werd geoordeeld dat het UWV het motiveringsbeginsel heeft geschonden, maar dit gebrek werd gepasseerd omdat appellant niet in zijn belangen is geschaad. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.