Uitspraak
21.2202 WIA
OVERWEGINGEN
WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante met ingang van 18 september 2019 heeft beëindigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was winkelmedewerker en meldde zich ziek in 2016 vanwege psychische en fysieke klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Later stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid per 15 mei 2019 vast op minder dan 35% en beëindigde de uitkering per 18 september 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen van appellante niet waren onderschat. De verzekeringsarts had gemotiveerd dat er benutbare mogelijkheden waren en dat de geselecteerde functies medisch passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er twijfel bestond over de medische conclusies en dat er geen equality of arms was, waardoor een onafhankelijke deskundige benoemd moest worden. De Raad oordeelde dat de medische rapporten voldoende waren en dat de aanvullende informatie na de datum in geding kwam. Het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering wordt bevestigd.