Uitspraak
19.402 PW, 19/403 PW, 19/834 PW, 19/835 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 4 januari 2019 ongegrond.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde vast dat hij in een gezamenlijke huishouding leefde met appellante, met wie hij twee kinderen heeft. Uit onderzoek bleek dat appellant gedurende de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante, ondanks dat hij ingeschreven stond op een ander adres.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. De rechtbank vernietigde dit besluit deels voor de periode tot 1 november 2015, maar gaf het college opdracht nieuwe besluiten te nemen voor de periode daarna. Het college stelde daarop nieuwe terugvorderingsbesluiten vast.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van appellant tijdens de te beoordelen periode op het adres van appellante lag, waarmee sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hierdoor was appellant geen zelfstandig rechthebbende op bijstand als alleenstaande en had hij zijn inlichtingenplicht geschonden. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 november 2015 tot 14 november 2017.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellant en appellante een gezamenlijke huishouding voerden.