ECLI:NL:CRVB:2022:571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid WIA en schadevergoeding redelijke termijn
Appellant was tot maart 2014 werkzaam als productiemedewerker en portier en meldde zich in januari 2015 ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 60,58%, later aangepast naar 55-65%, en uiteindelijk op bezwaar vastgesteld op 65-80%.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die een ernstigere arbeidsduurbeperking adviseerde dan het UWV aannam. De rechtbank volgde echter het UWV en verwierp de verdergaande beperking vanwege onvoldoende medische onderbouwing.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij door lichamelijke en psychische problemen niet in staat was de geschikte functies te vervullen. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende gemotiveerd had dat de geselecteerde voorbeeldfuncties medisch passend waren en dat de arbeidsduurbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week terecht was vastgesteld.
Daarnaast werd een schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier maanden, waarbij de Staat werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van appellant ter zake.
Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 65 tot 80% wordt bevestigd en de Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.