Appellant, werkzaam als CNC Frezer, meldde zich ziek in 2006 en kreeg vanaf 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WGA-loonaanvullingsuitkering per 16 februari 2017. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV de belastbaarheid juist had ingeschat.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen onderschat waren en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die een matig tot ernstige depressieve stoornis en PTSS vaststelde, leidend tot een volledige urenbeperking van acht uur per dag. Ondanks het andersluidende standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, handhaafde de deskundige zijn conclusie overtuigend.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende medische grondslag en motivering had gegeven voor de beëindiging van de uitkering. Het bestreden besluit werd vernietigd, het eerdere besluit herroepen en de WGA-loonaanvullingsuitkering voortgezet. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de kosten van appellant.