ECLI:NL:CRVB:2022:577

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
19/3384 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:64 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep wegens nadere besluitvorming UWV en proceskostenveroordeling

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland inzake een WIA-zaak. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar, waardoor het procesbelang van appellante kwam te vervallen. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming aan de indiener van het beroepschrift, op verzoek kan worden veroordeeld in de proceskosten. Het UWV stemde in met vergoeding van de gemaakte proceskosten.

De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van een bedrag van € 3.036,- aan proceskosten, bestaande uit kosten voor zowel de beroepsprocedure als het hoger beroep. Voor kosten in een latere bezwaarprocedure werd geen vergoeding toegekend omdat die beslissing nog niet voorlag. Appellante kan het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het UWV verhalen.

Uitkomst: Het hoger beroep is ingetrokken wegens het ontbreken van procesbelang en het UWV is veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 3.036,- aan appellante.

Uitspraak

19 3384 WIA

Datum uitspraak: 3 maart 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 juli 2019, 18/1990 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[Naam B.V.] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] (ex-werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. P. Rijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 13 januari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rijnsburger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
Ter zitting heeft de Raad het onderzoek geschorst.
Het Uwv heeft op 1 oktober 2021 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 25 oktober 2021 heeft mr. Rijnsburger namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen in de door appellante in de onderhavige procedure gemaakte proceskosten en kosten van appellante gemaakt in een latere procedure.
Het Uwv heeft verweer gevoerd. Appellante heeft een nadere reactie ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat door nadere besluitvorming van het Uwv geen procesbelang meer bestaat. Het Uwv heeft ingestemd met vergoeding van de kosten gemaakt in onderhavige procedure.
3. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep in de onderhavige procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 1.518,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-) en € 1.518,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-), totaal € 3.036,- voor verleende rechtsbijstand.
4. Voor een veroordeling van het Uwv in de kosten van appellante in verband met de behandeling van het bezwaar in een latere procedure bestaat geen aanleiding. De beslissing op bezwaar in die procedure ligt thans niet voor.
5. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.036,-.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2022.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) R. van der Heide