ECLI:NL:CRVB:2022:592
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid taxichauffeur bevestigd
Appellant was sinds 1 mei 2018 werkzaam als taxichauffeur toen hij zich op 29 mei 2018 ziek meldde met knieklachten. Het UWV kende hem per 1 juni 2018 een Ziektewetuitkering toe. Een verzekeringsarts verklaarde appellant op 5 november 2018 geschikt voor zijn eigen werk, waarna het UWV de uitkering beëindigde. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en later bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onvoldoende waren erkend en dat hij vanwege de ernst van zijn klachten geen therapie kon volgen. Hij stelde dat hij niet in staat was zijn werkzaamheden uit te voeren en verzocht om een onafhankelijke deskundige. Het UWV verzocht bevestiging van het eerdere oordeel.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende nieuwe medische gegevens had overgelegd die zijn ongeschiktheid konden onderbouwen. De verzekeringsarts had de klachten gemotiveerd beoordeeld en verklaard dat deze geen belemmering vormden voor werkhervatting. Er was geen grond voor het inschakelen van een deskundige. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd omdat appellant medisch geschikt is voor zijn eigen werk als taxichauffeur.