ECLI:NL:CRVB:2022:6
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die zich in 2016 ziek meldde met psychische en fysieke klachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het UWV-besluit bevestigde. Appellant voerde aan dat zijn psychische klachten, waaronder angstaanvallen, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar kon dit niet met nieuwe medische stukken onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant in staat is passend werk te verrichten en dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.