ECLI:NL:CRVB:2022:630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsvermogen bij Wajong-aanvraag met familiaire mediterrane koorts
Appellante, geboren in 1998, vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege ernstige buik- en rugklachten, aanvankelijk toegeschreven aan het syndroom van Tietze, later vastgesteld als familiaire mediterrane koorts (FMF). Het UWV wees de aanvraag af omdat zij arbeidsvermogen heeft, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stond centraal of appellante op haar achttiende, de peildatum, niet ten minste vier uur per dag belastbaar was. Uit medisch onderzoek bleek dat zij ongeveer eens per maand aanvallen van FMF heeft die enkele dagen arbeidsongeschikt maken, maar op andere dagen wel belastbaar is. De rug- en buikklachten buiten deze aanvallen konden niet worden toegeschreven aan FMF en rechtvaardigen geen volledige arbeidsongeschiktheid.
Appellante stelde dat zij vaker aanvallen had als zij zou werken, maar dit was onvoldoende onderbouwd. Ook haar eerdere school- en arbeidservaring en huishoudelijke hulp onder de WMO konden niet gelijkgesteld worden aan de geselecteerde taak 'invoeren van gegevens'. De Raad concludeerde dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is en bevestigde het besluit van het UWV.
Een aanvankelijk motiveringsgebrek in het besluit werd in hoger beroep hersteld met een aanvullend medisch rapport, waardoor het hoger beroep niet slaagde. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is.