ECLI:NL:CRVB:2022:632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid voor arbeid na Ziektewetperiode ondanks medische klachten
Appellante was tot februari 2015 werkzaam als verzorgende en ontving vanaf die datum ziekengeld. Na een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) in 2015 werd zij geschikt geacht voor drie functies. In juni 2017 werd zij hersteld verklaard, maar meldde zich later ziek met terugwerkende kracht. Diverse verzekeringsartsen onderzochten haar medische situatie en concludeerden dat zij geschikt bleef voor de geselecteerde functies.
De rechtbank had het beroep van appellante gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen aan de armen en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en verzocht zij om benoeming van een deskundige. Het UWV handhaafde het standpunt dat zij geschikt was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de aangevoerde gronden afdoende had besproken en dat de medische onderzoeken van juni en augustus 2017 geen verslechtering toonden. De overgelegde medische informatie was summier en niet relevant voor de korte periode na de ZW-verzekering. Er was geen aanleiding voor deskundigenbenoeming. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante geschikt is voor de geselecteerde functies in de vier weken na het einde van haar ZW-verzekering.