ECLI:NL:CRVB:2022:64
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid onder WIA op minder dan 35%
Appellant, die als beautyadviseur werkte, meldde zich ziek op 1 maart 2017 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe omdat hij volgens hen 80-100% arbeidsongeschikt was. Appellant ging hiertegen in bezwaar en stelde dat hij recht had op een IVA-uitkering. Het UWV stelde later dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, omdat hij passende functies kon vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen zorgvuldig en logisch waren gemotiveerd. Appellant bracht in hoger beroep geen nieuwe medische stukken in, maar voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat, met name de duurbelasting van vier uur per dag.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rapporten waren voldoende gemotiveerd en appellant had onvoldoende onderbouwing geleverd voor zijn stelling dat hij meer beperkingen had. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op minder dan 35%.