ECLI:NL:CRVB:2022:643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA op 39,67%
Appellant, werkzaam als glaszetter, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 37,15%, later bij bezwaar verhoogd naar 39,67%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen en dat hij vanwege financiële redenen geen aanvullende medische gegevens kon overleggen. Tevens betwistte hij de geschiktheid van de geselecteerde functies.
De Raad oordeelde dat appellant zijn standpunten onvoldoende had onderbouwd met medische gegevens en dat de financiële situatie geen reden vormt om de bevindingen van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige in twijfel te trekken. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, waarmee het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 39,67%.