Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:649

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2022
Publicatiedatum
28 maart 2022
Zaaknummer
20/3080 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor andere functies bevestigd

Appellante was werkzaam als gastvrouw en meldde zich ziek met heupklachten. Na toekenning van een Ziektewetuitkering in 2017, beëindigde het UWV deze uitkering omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies volgens de EZWb 2017. Appellante maakte bezwaar en kreeg later opnieuw een Ziektewetuitkering toegekend, die in 2019 wederom werd beëindigd op grond van geschiktheid voor de geselecteerde functies.

De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond, mede omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellante ondanks aanvullende beperkingen geschikt bleef voor ten minste één van de functies. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij niet geschikt was voor deze functies, onderbouwd met medische stukken van haar huisarts en specialisten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze medische stukken niet betrekking hadden op de relevante data en geen aanleiding gaven om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad bevestigde dat appellante op de data in geschil geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies en verwierp het hoger beroep.

De uitspraak bevestigt dat het recht op Ziektewetuitkering eindigt indien de verzekerde geschikt is voor gangbare arbeid volgens de EZWb, ook als de oorspronkelijke functie niet meer kan worden verricht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

20 3080 ZW, 20/3081 ZW

Datum uitspraak: 15 maart 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
15 juli 2020, 19/2174 en 19/3336 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.M.J.J. Dewarrimont hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 10 februari 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dewarrimont. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als gastvrouw. Op 10 oktober 2016 heeft zij zich ziek gemeld met heupklachten
.Het Uwv heeft appellante bij besluit van 18 januari 2017 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 9 november 2017 de ZW-uitkering van appellante per 10 december 2017 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als gastvrouw, maar wel tot het vervullen van de functies van acquisiteur-verkoper, samensteller elektrotechnische apparatuur en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten). Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
Het Uwv heeft appellante per 10 december 2017 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellante heeft zich op 3 mei 2018 ziek gemeld met toegenomen lichamelijke klachten aan haar heup, rug en been. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 27 juni 2018 een ZW-uitkering toegekend. In het kader van een nieuwe EZWb heeft zij op 8 april 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante, ondanks een toegenomen beperking voor frequent buigen, per 15 april 2019 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb van 2017 geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 9 april 2019 de ZW-uitkering van appellante per 15 april 2019 beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2019 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante daarbij in verband met haar schouder- en linkerhandklachten op nog vier aspecten aanvullend beperkt geacht.
1.3
Appellante heeft zich op 22 juli 2019 opnieuw ziek gemeld met toegenomen lichamelijke klachten. In verband met deze ziekmelding heeft appellante op 15 augustus 2019 het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante per 22 juli 2019 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb van 2017 geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2019 geweigerd appellante per 22 juli 2019 een ZW-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2019 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft de beroepen van appellante tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante in beroep een expertiserapport van 19 december 2019 van verzekeringsarts D. Erdogan heeft ingebracht, waarin appellante op een aantal aspecten meer beperkt is geacht dan door het Uwv is aangenomen. Erdogan heeft daarbij opgemerkt geen aanwijzingen te hebben dat de medische situatie van appellante op 22 juli 2019 is gewijzigd ten opzichte van 15 april 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 6 april 2020 toegelicht dat appellante ook met deze aanvullende beperkingen op beide data in geding nog steeds geschikt is voor ten minste één van de bij de EZWb van 2017 geselecteerde functies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat ook Erdogan heeft geconcludeerd dat de functies samensteller elektrotechnische apparatuur en productiemedewerker industrie op de data in geding nog steeds geschikt zijn voor appellante. De rechtbank ziet gelet op de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van het Uwv per beide data in geding.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de uit haar lichamelijke klachten voortkomende beperkingen op beide data in geding zijn onderschat en dat zij op de data in geding niet geschikt is om de bij de EZWb van 2017 geselecteerde functies te verrichten. Volgens appellante is de rechtbank voorbij gegaan aan het expertiserapport van verzekeringsarts Erdogan. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante informatie van 18 augustus 2021 van haar huisarts ingebracht met daarbij gevoegd brieven van de behandelend cardioloog, oogarts en longarts.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 16 november 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).
4.2.
In geschil is of appellante per 15 april 2019 en 22 juli 2019 geschikt is om ten minste een van de bij de EZWb van 2017 geselecteerde functies te verrichten.
4.3.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. Ter zitting is namens appellante te kennen gegeven dat het hoger beroep zo moet worden begrepen dat zij op de data in geding meer beperkingen had, ook meer dan verzekeringsarts Erdogan heeft aangenomen, en dat zij, gelet op deze verdergaande beperkingen, de geselecteerde functies niet kon verrichten. Dit betoog van appellante wordt niet gevolgd, omdat voor een onderbouwing daarvan in de medische stukken geen aanknopingspunten zijn te vinden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt verder gevolgd in zijn reactie dat de in hoger beroep ingezonden stukken niet zien op de medische situatie van appellante op de data in geding. Alleen al daarom leiden deze stukken niet tot een ander oordeel. De conclusie is dat appellante – ook met de door verzekeringsarts Erdogan voorgestelde en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgenomen aanvullende beperkingen – op de data in geding nog steeds geschikt is voor ten minste één van de bij de EZWb van 2017 geselecteerde functies.
4.4.
Overweging 4.3 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van
V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2022.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) V.M. Candelaria