ECLI:NL:CRVB:2022:655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen toename beperkingen
Appellante was administratief medewerker en ontving sinds 2003 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een herseninfarct in 2010 werd haar uitkering verhoogd naar 55-65%. In 2017 beëindigde het UWV de uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante meldde in 2019 een toename van haar arbeidsongeschiktheid, maar het UWV stelde vast dat zij nog steeds minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De rechtbank vond geen bewijs voor een toename van beperkingen door endometriose of het herseninfarct tussen november 2017 en juli 2019. Ook werd het standpunt van het UWV dat de klachten niet werden onderschat, onderschreven.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten en beperkingen waren toegenomen, onderbouwd met nieuwe medische stukken. De Raad oordeelde echter dat het UWV met rapporten van verzekeringsartsen voldoende had gemotiveerd dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van oktober 2020 juist waren vastgesteld. Nieuwe medische informatie overtuigde de Raad niet van een toename van beperkingen.
De Raad concludeerde dat de schouderklachten pas na de relevante periode waren ontstaan en dat de medische stukken geen aanleiding gaven tot een andere beoordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is, wordt bevestigd.