ECLI:NL:CRVB:2022:656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies voor WIA-uitkering
Appellant, voormalig kabelwerker, viel uit wegens fysieke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 40,84% op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en geselecteerde passende functies. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze vaststelling, stellende dat zijn beperkingen en medische klachten werden onderschat, met name dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren ingeschat. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad concludeerde dat de verzekeringsartsen alle klachten adequaat hadden betrokken en dat er geen aanwijzingen waren voor gemiste medische klachten of onvolledigheid in het medische beeld.
Nieuwe medische informatie van appellant werd meegewogen, maar leidde niet tot een ander oordeel. De Raad vond dat de diagnose 'hip-spine dilemma' geen concreet oorzakelijk verband met pijnklachten kon vaststellen en dat de resterende mogelijkheden voldoende waren beoordeeld. Ook werd overtuigend gemotiveerd dat er geen medische indicatie was voor een urenbeperking. De geselecteerde functies bleken medisch geschikt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van 40,84% en geschiktheid van functies bevestigd.