Uitspraak
20 2558 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten hebben bijzondere bijstand aangevraagd voor huurkosten over mei 2019 nadat zij al bijzondere bijstand hadden ontvangen voor de eerste huurperiode. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten op het moment van aanvraag al waren voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelden appellanten dat de afwijzing onevenredig uitpakt omdat zij naast dubbele huur ook andere verhuiskosten hadden gemaakt en hiervoor geld hadden geleend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het niet relevant is of deze grond tot toekenning had kunnen leiden, omdat appellanten niet concreet hebben gemaakt welke onredelijke gevolgen de afwijzing voor hen heeft gehad.
Daarmee faalt het hoger beroep en wordt de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Raad baseert zich op de artikelen 11 en 35 van de Participatiewet die bepalen dat bijzondere bijstand niet wordt toegekend voor kosten die al zijn voldaan op het moment van aanvraag.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor huurkosten wordt afgewezen omdat op het moment van aanvraag al in de kosten was voorzien en onredelijke gevolgen niet concreet zijn aangetoond.