ECLI:NL:CRVB:2022:668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als machinebediende en meldde zich in 2014 ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem in 2016 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 36,32%. Na een melding van verslechtering in 2018 werd een herbeoordeling uitgevoerd, waarbij een verzekeringsarts beperkingen vaststelde in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van november 2018. Op basis hiervan stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 4 maart 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor meer beperkingen dan vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan volledig arbeidsongeschikt te zijn en verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige, maar leverde geen nieuwe medische informatie die twijfel zou kunnen zaaien over de eerdere beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt dat de verzekeringsartsen zorgvuldig rekening hebben gehouden met alle medische informatie, waaronder rapporten van een psychiater. De beperkingen in de FML zijn adequaat vastgesteld en de geselecteerde functies overschrijden deze beperkingen niet. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.