ECLI:NL:CRVB:2022:671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als helpende en meldde zich ziek in 2009. Na diverse beoordelingen stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid per 1 november 2017 minder dan 35% bedroeg. Op basis hiervan werd haar WIA-uitkering per 3 juli 2018 beëindigd. Appellante maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ernstiger beperkt was, met name op cognitief vlak en handelingstempo, maar zij bracht geen nieuwe medische informatie in. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 29 augustus 2019 juist waren en dat de geselecteerde functies geschikt waren voor appellante.
De Raad concludeerde dat appellante niet in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering per 3 juli 2018 en dat de beëindiging van de uitkering per 30 december 2019 terecht was, mede gezien de door het UWV gehanteerde uitlooptermijn. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering per 30 december 2019 bevestigd.