ECLI:NL:CRVB:2022:674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraken over vorderingen meerinkomen studiefinanciering 2015-2016
De minister van Onderwijs legde betrokkene vorderingen wegens meerinkomen op over 2015 en 2016, omdat betrokkene de bijverdiengrens had overschreden volgens artikel 3.17 van de Wsf 2000. De rechtbank verklaarde de beroepen van betrokkene gegrond en vernietigde de besluiten, stellende dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen vanwege een fout bij de toekenning van studiefinanciering voor uitwonende studenten.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat betrokkene de bijverdiensten had kunnen staken of studiefinanciering in de vorm van een lening had kunnen aanvragen, zodat geen sprake was van onbillijkheid. De Raad oordeelde dat de minister de vorderingen terecht had vastgesteld en dat de hardheidsclausule alleen toegepast kan worden indien het onmogelijk was de bijverdiensten te staken of het studiefinancieringstijdvak in te korten.
Betrokkene kon niet aannemelijk maken dat hij in een dergelijke situatie verkeerde. Zijn financiële problemen waren onvoldoende onderbouwd en er was geen causaal verband tussen de fout van de minister en de overschrijding van de bijverdiengrens. De Raad vernietigde daarom de uitspraken van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 maart 2022.
Uitkomst: De beroepen tegen de vorderingen wegens meerinkomen studiefinanciering 2015-2016 worden ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken vernietigd.