ECLI:NL:CRVB:2022:70
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vaste aanstelling na drie aaneengesloten detacheringen en onterecht verleend ontslag
Appellante was van 26 september 2016 tot en met 28 februari 2019 werkzaam bij de Dienst op basis van meer dan drie aaneengesloten detacheringsovereenkomsten. Vervolgens werd zij per 1 maart 2019 aangesteld in tijdelijke dienst met een proeftijd van twee jaar. Appellante stelde dat zij recht had op een vaste aanstelling omdat zij dezelfde werkzaamheden bleef verrichten als tijdens haar detachering.
De staatssecretaris verleende haar later eervol ontslag met onmiddellijke ingang wegens een vermeende schending van de geheimhoudingsplicht. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat op grond van artikel 6 ARAR Pro een vaste aanstelling is ontstaan na drie aaneengesloten tijdelijke aanstellingen, ook wanneer deze op detacheringsovereenkomsten zijn gebaseerd.
De Raad stelt vast dat appellante gedurende haar detachering en tijdelijke aanstelling dezelfde werkzaamheden op hetzelfde niveau verrichtte. De staatssecretaris heeft dit niet voldoende betwist. Het ontslag was daarom onterecht. De Raad vernietigt de eerdere uitspraken en besluiten, herroept de primaire besluiten en verklaart dat appellante met ingang van 1 maart 2019 een vaste aanstelling heeft. De Raad veroordeelt de staatssecretaris tevens in de proceskosten.
Uitkomst: Appellante is met ingang van 1 maart 2019 in vaste dienst gesteld en het ontslag is onterecht verklaard.