ECLI:NL:CRVB:2022:712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met darmproblematiek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar deze werden ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de belastbaarheid van appellant met inachtneming van zijn beperkingen juist was vastgesteld. Hoewel het UWV in beroep een betere motivering had gegeven, was het eerdere besluit niet onrechtmatig omdat appellant niet benadeeld was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvolledig was en dat er geen informatie bij behandelend specialisten was ingewonnen, maar deze stellingen werden niet gevolgd.
De Raad concludeerde dat de gronden van appellant in hoger beroep een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat het UWV beschikte over voldoende medische informatie, waaronder van internisten en MDL-artsen. De verklaringen over ziekenhuisopnames in 2021 waren niet relevant voor de datum in geschil. De schending van motiveringsvereisten werd terecht gepasseerd omdat appellant niet benadeeld was.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.