ECLI:NL:CRVB:2022:727

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 maart 2022
Publicatiedatum
6 april 2022
Zaaknummer
21/2523 BPW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, zevende lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling griffierecht afgewezen

Appellante had beroep ingesteld tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank, maar dit beroep werd op 15 oktober 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij het griffierecht niet had betaald. Appellante stelde in verzet dat zij vanwege haar inkomen niet in staat was het griffierecht te voldoen.

De Raad stelde vast dat appellante geen tijdig verzoek om vrijstelling of betalingsonmacht had ingediend binnen de gestelde termijn. Zij ontving een nota en een betalingsherinnering met duidelijke informatie over de betalingstermijn en de gevolgen van niet-betaling. Pas in het verzet maakte zij haar financiële situatie kenbaar.

De Raad oordeelde dat het niet betalen van het griffierecht voor rekening en risico van appellante komt en verklaarde het verzet ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.C. Boeree in aanwezigheid van griffier E.X.R. Yi op 24 maart 2022.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat appellante het griffierecht niet tijdig heeft betaald en geen tijdig beroep op betalingsonmacht heeft gedaan.

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 maart 2022
21/2523 BPW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft het beroep tegen het besluit van de Svb van 16 juni 2021, kenmerk BZO11441747, op 15 oktober 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Raad het beroep niet inhoudelijk in behandeling kan nemen. De Raad heeft dit gedaan zonder een zitting te houden, met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Appellante is het niet eens met de uitspraak van de Raad van 15 oktober 2021 en heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld op de zitting van 10 februari 2022. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De Raad heeft het beroep van appellante in de uitspraak van 15 oktober 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij het griffierecht niet heeft betaald.
In verzet stelt appellante, voor zover hier van belang, dat zij gezien haar inkomen niet in staat is om het griffierecht te betalen.
De Raad heeft appellante op 16 juli 2021 een nota voor voldoening van het griffierecht toegezonden. Hierin staat vermeld dat appellante voor het einde van de op deze nota/betalingsherinnering gestelde betalingstermijn een verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht kan indienen, als zij meent het griffierecht niet te kunnen betalen.
Op 16 augustus 2021 is per aangetekende post aan appellante een betalingsherinnering gestuurd. Appellante is er hierbij op gewezen dat het verschuldigde griffierecht van € 49,- binnen vier weken na de datum van deze brief moet zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening of contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. In de betalingsherinnering is vermeld dat appellante er rekening mee moet houden dat het beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld als zij het griffierecht niet tijdig betaalt.
De Raad stelt vast dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante heeft binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan, geen beroep op betalingsonmacht gedaan. Zij heeft pas in verzet verklaard dat zij het griffierecht niet kan betalen. Het niet betalen van het griffierecht komt daarom voor rekening en risico van appellante. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2022.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) E.X.R. Yi