Uitspraak
21.2600 WIA
.Het Uwv heeft zich (via videobellen) laten vertegenwoordigen door mr. E. Moerman-Bootsma.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als keukenmedewerker en meldde zich ziek na een bedrijfsongeval met hand- en polsklachten en psychische klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was vastgesteld. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen van appellante waren onderschat.
De verzekeringsarts concludeerde dat de klachten moeilijk objectiveerbaar waren en dat er geen anatomisch substraat was, maar gaf appellante het voordeel van de twijfel door beperkingen aan te nemen voor dynamische handelingen. Ook de arbeidsdeskundige stelde vast dat appellante geschikt was voor bepaalde functies, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van 1,17%.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar hand- en polsklachten en psychische beperkingen waren onderschat, maar bracht geen objectief medisch bewijs aan dat dit op de datum in geding anders was. De Raad onderschreef de eerdere oordelen en bevestigde het besluit van het UWV. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering krijgt omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.