ECLI:NL:CRVB:2022:748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellante ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een rapport Gezondheidsfraude in 2018 vond het UWV een herbeoordeling noodzakelijk. De verzekeringsarts stelde vast dat de psychische beperkingen niet meer aanwezig waren en beperkte lichamelijke klachten bleven. Op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd geconcludeerd dat appellante geschikt was voor haar maatmanfunctie, met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, waarna de WAO-uitkering werd beëindigd.
Appellante voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende was, met name voor haar psychische klachten, en dat zij nog steeds volledig arbeidsongeschikt was. Zij overhandigde medische stukken die volgens haar twijfel opriepen over de beoordeling. De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had vastgesteld en dat de medische stukken geen aanleiding gaven tot twijfel of benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad volgde het oordeel dat appellante geschikt is voor haar maatmanfunctie en dus niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.