Appellant, werkgever van betrokkene, kreeg een administratieve loonsanctie opgelegd door het Uwv wegens het niet tijdig aanleveren van een volledig re-integratieverslag bij de WIA-aanvraag van betrokkene. Betrokkene, sinds 2002 administratief medewerkster bij appellant, meldde zich op 22 augustus 2016 ziek. Het Uwv verlengde de loonsanctie met 52 weken omdat appellant niet voldeed aan zijn re-integratieverplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals het niet bemoeien met de administratie en het vertrouwen op betrokkene, geen deugdelijke grond vormen om de loonsanctie te weigeren. Appellant was als werkgever verantwoordelijk voor het tijdig aanleveren van de gevraagde stukken.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Raad stelde vast dat betrokkene zich op 22 augustus 2016 ziek heeft gemeld en dat het risico dat appellant onvoldoende geïnformeerd was, voor zijn rekening komt. Het handelen van betrokkene doet niet af aan de administratieve verplichtingen van appellant. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.