ECLI:NL:CRVB:2022:778
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing AOW-pensioen wegens termijnoverschrijding
Appellante, geboren in 1953, diende een aanvraag in voor een AOW-pensioen nadat haar nabestaandenuitkering werd beëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellante niet in Nederland had gewoond of gewerkt, en haar echtgenoot was verzekerd vóór hun huwelijk, waardoor diens verzekering geen invloed had op haar eigen AOW-rechten.
Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar deed dit te laat. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn en het ontbreken van een geldige reden voor deze overschrijding. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar echtgenoot tot eind 1999 verzekerd was en dat zij daarom recht had op AOW. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bezwaartermijn zes weken bedraagt en dat het bezwaarschrift van appellante buiten deze termijn was ingediend zonder verschoonbare reden. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar, waardoor het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.