ECLI:NL:CRVB:2022:78
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IVA-uitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid per 26 september 2017
Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker rozenkwekerij, meldde zich op 29 september 2015 ziek met lichamelijke klachten. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en arbeidskundige beoordeling werd vastgesteld dat hij per 26 september 2017 voor 45,94% arbeidsongeschikt was en een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend kreeg. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het Uwv en de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt was en daarom recht had op een IVA-uitkering. Hij voerde aan dat de beperkingen in zijn fysieke belastbaarheid onderschat waren en vroeg om benoeming van een deskundige. Tevens verwees hij naar een latere beslissing waarin zijn arbeidsongeschiktheid per 7 april 2020 op 80-100% werd vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het geschil zich richt op de situatie per 26 september 2017, niet op latere data. De medische beoordeling van de verzekeringsarts en de arbeidskundige beoordeling werden onderschreven. Er was geen aanleiding voor benoeming van een deskundige. Omdat appellant niet volledig arbeidsongeschikt was op de peildatum, was toekenning van een IVA-uitkering niet gerechtvaardigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de IVA-uitkering bevestigd.