ECLI:NL:CRVB:2022:809
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor niet tijdig afsluiten zorgverzekering op grond van de Zvw
Appellant werd door het CAK een bestuurlijke boete opgelegd van €402,24 omdat hij niet binnen drie maanden na aanmaning een zorgverzekering had afgesloten, zoals vereist op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij tijdig verzekerd was en geen rechtvaardigingsgronden aanwezig waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij ten onrechte niet op een zitting was gehoord en dat het CAK hem onterecht niet in de bezwaarfase had gehoord. Ook stelde hij dat onjuiste gegevens van de gemeente en zorgverzekeraar aan het CAK waren doorgegeven.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had gehandeld door zonder zitting uitspraak te doen, omdat appellant niet binnen de gestelde termijn had gereageerd op de uitnodiging tot hoorzitting. Ook het bezwaar over het ontbreken van een hoorzitting in de bezwaarfase faalde, omdat appellant ook daar niet binnen de termijn had gereageerd. Tijdens de zitting van de Raad heeft appellant wel een mondelinge toelichting gegeven, die is meegewogen.
De Raad bevestigde dat appellant vanaf 18 januari 2019 stond ingeschreven op het juiste adres, maar niet binnen drie maanden na de aanmaning een zorgverzekering had afgesloten. Er waren geen omstandigheden die het verwijt van de overtreding konden wegnemen of aanleiding gaven tot matiging van de boete. De boete blijft daarom in stand en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De boete van €402,24 wegens het niet tijdig afsluiten van een zorgverzekering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.