Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:81

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 januari 2022
Publicatiedatum
12 januari 2022
Zaaknummer
20/3496 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling

Appellante was sinds 2009 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 2011 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2019 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellante stelde zich op het standpunt dat haar psychische en lichamelijke klachten tot volledige arbeidsongeschiktheid moesten leiden en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.

De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat de arbeidsdeskundige passend rekening had gehouden met het opleidingsniveau en de taalbeheersing van appellante. De rechtbank zag geen reden om af te wijken van deze beoordeling en wees het beroep af.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere overwegingen en concludeerde dat er geen nieuwe medische informatie was die tot een andere beoordeling zou leiden. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige en de arbeidsdeskundige had de functies passend geselecteerd.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarmee de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering rechtsgeldig bleef.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

20/3496 WIA
Datum uitspraak: 7 januari 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
7 september 2020, 19/7826 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 15 december 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Groen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster en als masseuse voor in totaal 39,85 uur per week. Op 2 maart 2009 heeft zij zich ziek gemeld met schouderklachten en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 28 februari 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100% en het einde van de loongerelateerde periode op 28 juni 2012. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 28 juni 2012 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 maart 2019. Een arbeidsdeskundige heeft drie functies geselecteerd en op basis hiervan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 15 mei 2019 de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante met ingang van 16 juli 2019 beëindigd, omdat zij vanaf 13 mei 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 1 november 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 7 oktober 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 1 november 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de zorgvuldige totstandkoming van het rapport van het de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het vaste rechtspraak is dat een verzekeringsarts bij de beoordeling in beginsel op het eigen medisch oordeel mag afgaan, zodat een verzekeringsarts niet verplicht is medische informatie op te vragen dan wel advies in te winnen van de behandelend sector, indien de verzekeringsarts daartoe geen aanleiding ziet. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische informatie die appellante in beroep heeft overgelegd dit niet verandert, omdat de klachten die in deze medische informatie staan vermeld in eerste instantie al bij de beoordeling van de primaire verzekeringsarts en vervolgens bij de heroverweging in bezwaar zijn betrokken. Ook is de rechtbank niet gebleken dat vanwege de psychische klachten van appellante verdergaande of andersoortige beperkingen hadden moeten worden opgenomen in de FML. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om in te gaan op het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen. De rechtbank heeft, nu appellante vooral de medische beoordeling ter discussie heeft gesteld en de rechtbank ervan uitgaat dat die beoordeling juist is geweest, geen reden gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van appellante voor de door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde voorbeeldfuncties. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de primaire arbeidsdeskundige bij het duiden van de voorbeeldfuncties rekening heeft gehouden met het opleidingsniveau van appellante en de beheersing van de Nederlandse taal, waardoor het betoog van appellante dat zij ongeschikt is voor de voorbeeldfuncties omdat zij ongeschoold is en de Nederlandse taal niet beheerst faalt. De rechtbank heeft in het algemene betoog van appellante in beroep ook geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de primaire arbeidsdeskundige.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat de beperkingen die uit haar lichamelijke en psychische klachten voortvloeien dienen te leiden tot een volledige arbeidsongeschiktheid. Bij haar is sprake van ernstige duurzame psychische klachten alsmede duurzame schouderklachten. Uit de door appellante in de beroepsprocedure overgelegde medische informatie blijkt dat zij jaren onder behandeling is geweest wegens psychische en psychiatrische klachten en dat de behandelingen niet hebben geleid tot voldoende resultaat en zij bij [instelling] is uitbehandeld. Zij is voor haar ernstige lichamelijke en psychische klachten onder specialistische behandeling en controle. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had nadere informatie dienen op te vragen bij de behandelend sector, nu het zeer specialistische medische gebieden betreft. Appellante verwijst daarbij naar uitspraken van het Centraal Tuchtcollege (ECLI:NL:TGZCTG:2014:17 en ECLI:NL:TGZCTG:2015:369) en het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle (ECLI:NL:TGZRZWO:2015:26). Appellante heeft verzocht om benoeming van een deskundige. Gelet op haar beperkingen acht appellante zich niet in staat om de geduide functies te vervullen. Zij is ongeschoold en beschikt nauwelijks over enige beheersing van de Nederlandse taal, waardoor de geduide functies ook op arbeidskundige gronden niet geduid kunnen worden.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 13 mei 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-vervolguitkering van appellante met ingang van 16 juli 2019 heeft beëindigd.
4.3.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
4.4.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.5.
Het beroep van appellante op de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle wordt, na bespreking ter zitting, zo begrepen dat appellante zich op het standpunt stelt dat de in die uitspraken genoemde criteria voor medische rapporten door de verzekeringsartsen niet in acht zijn genomen. Voor deze conclusie wordt echter geen aanknopingspunt gezien. Evenmin wordt een aanknopingspunt gezien voor het standpunt van appellante dat bij psychische klachten sprake is van een dusdanige specialisatie dat een verzekeringsarts daarover geen oordeel mag vellen.
4.6.
De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld en overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen belastbaarheid van appellante. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.7.
Het standpunt van appellante dat zij bij [instelling] is uitbehandeld en dat er daarom bij haar sprake is van duurzame psychische klachten, slaagt niet. Uit de informatie van [instelling] blijkt weliswaar dat het traject met appellante in onderling overleg is beëindigd, maar daaruit blijkt nog niet dat bij appellante voor wat betreft haar psychische klachten verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Appellante heeft haar standpunt in hoger beroep niet onderbouwd met (nieuwe) medische informatie.
4.8.
De in hoger beroep door appellante overgelegde medische informatie kan niet leiden tot de conclusie dat haar beperkingen zijn onderschat. De informatie van de huisarts van 18 juni 2021 en het ondersteuningsplan met betrekking tot de Wet maatschappelijke ondersteuning van 10 november 2020 dateren van ruim na de datum in geding van en de informatie biedt ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld.
4.9.
Nu gelet op het voorgaande geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, wordt geen aanleiding gezien voor benoeming van een onafhankelijke deskundige.
4.10.
Het oordeel van de rechtbank dat appellante, uitgaande van de voor haar vastgestelde FML, in medisch opzicht geschikt wordt geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, wordt eveneens onderschreven.
4.11.
Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank op goede gronden onderschreven. De arbeidsdeskundige heeft bij het selecteren van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies rekening gehouden met het opleidingsniveau van appellante en haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal.
4.12.
Uit 4.2 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van J.J.C. Vorias als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2022.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) J.J.C. Vorias