ECLI:NL:CRVB:2022:815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag aan appellant bij ontbreken co-ouderschap en onvoldoende onderhoudsbewijs
Appellant en de derde-partij hadden een affectieve relatie waaruit een dochter is geboren. Na het beëindigen van hun relatie in september 2019 vroeg appellant de kinderbijslag toe te kennen aan hem vanaf het tweede kwartaal van 2020. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit omdat het kind op dat moment tot het huishouden van de derde-partij behoorde en er geen sprake was van co-ouderschap.
Appellant stelde in hoger beroep dat er wel co-ouderschap was, onderbouwd met een gezinsplan waarin een gelijke verdeling van zorgtaken werd afgesproken. De Svb en de derde-partij betwistten dat er sprake was van een gelijke verdeling van onderhoudskosten. De Raad concludeerde dat hoewel het kind tot beide huishoudens behoorde, het gezinsplan geen afspraken over gelijke onderhoudsbijdragen bevatte en appellant geen bewijs leverde van een hogere bijdrage.
Op grond van artikel 18 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet en artikel 10 van Pro het Besluit uitvoering kinderbijslag is bij ontbreken van co-ouderschap en bij meerdere rechthebbenden de kinderbijslag toe te kennen aan degene die de hoogste bijdrage in het onderhoud levert. De Raad oordeelde dat de Svb terecht de kinderbijslag aan de derde-partij bleef uitbetalen en de aanvraag van appellant terecht afwees.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het hoger beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De kinderbijslag blijft uitbetaald aan de derde-partij omdat appellant geen bewijs leverde van hogere onderhoudsbijdrage en er geen co-ouderschap was.