ECLI:NL:CRVB:2022:835
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid per 22 maart 2019
Appellant, werkzaam als taxichauffeur, meldde zich ziek wegens Morbus Ménière en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op 22 maart 2019 de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35% en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch onderzoek zorgvuldig werd bevonden en de beperkingen adequaat waren vastgesteld door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medische onderzoek onzorgvuldig was en dat hij door dropattacks niet in staat zou zijn machines te bedienen. De Raad overwoog dat deze klachten pas na de datum in geschil zijn opgetreden en dat de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen de belastbaarheid en geschiktheid voor functies zorgvuldig hebben beoordeeld, inclusief de informatie van behandelend artsen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. De verslechtering van de gezondheidssituatie na 22 maart 2019 en het ontvangen voorschot op een WIA-uitkering zijn niet relevant voor de beoordeling op de datum in geschil.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering per 22 maart 2019 wordt bevestigd.