Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met knieklachten en ontving vanaf 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV stelde in 2018 op basis van een Duitse orthopedische expertise en dossieronderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waardoor de uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV onvoldoende zorgvuldig had gehandeld door geen eigen medisch onderzoek te verrichten in bezwaar en zich te baseren op verouderde gegevens. Zij stelde dat haar armklachten, vaatproblematiek en pijnklachten onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat het dossieronderzoek in bezwaar niet volstond en dat de verzekeringsarts onvoldoende onderzoek had gedaan, mede gezien de medische betwistingen en de mogelijkheid tot spreekuurcontact.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde vast dat appellante recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer vanaf 29 april 2019. Tevens werd het UWV veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldig medisch onderzoek in bezwaar bij betwisting van de medische grondslag.