ECLI:NL:CRVB:2022:859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken schriftelijke machtiging
In deze zaak heeft mr. P.H. Lammerts namens appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De Centrale Raad van Beroep heeft mr. Lammerts bij brief van 11 november 2021 verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging in te zenden, zoals vereist op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan.
Vervolgens is bij aangetekende brief van 13 december 2021 een tweede termijn van vier weken gesteld, waarbij mr. Lammerts werd gewezen op de gevolgen van het niet naleven van deze termijn, namelijk niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan zonder dat redenen zijn aangevoerd die het verzuim kunnen rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep heeft daarom het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er is geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in aanwezigheid van griffier J.M. Labage, op 14 april 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van een schriftelijke machtiging binnen de gestelde termijnen.