ECLI:NL:CRVB:2022:881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid WIA en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant was sinds 2011 arbeidsongeschikt vanwege rug- en psychische klachten en ontving vanaf 2013 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 42,16%, wat appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt was, verwijzend naar eerdere medische rapporten uit 2013 die ernstige psychische stoornissen constateerden. De Raad concludeerde echter dat de medische situatie in 2016 aanzienlijk was verbeterd, zoals gemotiveerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
Daarnaast verzocht appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad stelde vast dat de totale procedure meer dan vijf jaar had geduurd, wat de redelijke termijn overschreed. Daarom werd een vergoeding van €1.500,- toegekend, en de Staat werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten van €379,50.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarbij zij tevens de schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toekende.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 42,16% arbeidsongeschiktheid en kent een schadevergoeding van €1.500,- toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.