ECLI:NL:CRVB:2022:885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellant was loodsmedewerker en meldde zich ziek met knieklachten. Het UWV kende aanvankelijk een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 38,60%. Na bezwaar en herbeoordeling stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, wat leidde tot beëindiging van de uitkering per 1 maart 2019.
Appellant voerde bezwaar en beroep aan tegen deze beslissing, waarbij verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige onderzoeken plaatsvonden. De medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten gaven aan dat appellant geschikt was voor geselecteerde functies en een arbeidsongeschiktheid van circa 11,51% had.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat er geen reden was om aan de medische conclusies te twijfelen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 1 maart 2019.